|
U heeft zojuist de presentaties gehoord van de drie genomineerden voor de AVT-Anéla-dissertatieprijs 2009. U zult het hopelijk eens zijn met de jury dat het hier inderdaad om drie potentiële prijswinnaars gaat. Het gaat om:
U heeft zojuist de presentaties gehoord van de drie genomineerden voor de AVT-Anéla-dissertatieprijs 2009. U zult het hopelijk eens zijn met de jury dat het hier inderdaad om drie potentiële prijswinnaars gaat. Het gaat om: Gerlof Bouma (Rijksuniversiteit Groningen)– Starting a sentence in Dutch: a corpus study of subject- and object-fronting Joke de Lange (Universiteit Utrecht) – Article omission in headlines and child language: a processing approach
Margot Rozendaal (Universiteit van Amsterdam) - The acquisition of reference: a cross-linguistic study
De jury bestond dit jaar uit Maria Aloni, Ted Sanders, Leo Wetzels, Ton van der Wouden en Helen de Hoop, die optrad als voorzitter. Mienke Droop vervulde namens de Anéla de functie van ambtelijk secretaris, Jacqueline van Kampen was namens de AVT schaduwsecretaris. Namens de jury wil ik de secretarissen hartelijk danken voor de ondersteuning van haar werkzaamheden. Er zijn dit jaar tien dissertaties voorgedragen. Alle proefschriften zijn in eerste instantie elk door minstens twee leden van de jury beoordeeld op de inmiddels traditionele criteria van de AVT/ANéLA dissertatieprijs: originaliteit, probleemstelling en motivatie daarvan, wetenschappelijke benadering en methodologie, vakmanschap en meesterschap, te verwachten impact, en helderheid van verslaglegging. In een eerste vergadering op 26 juni heeft de jury drie dissertaties genomineerd voor de dissertatieprijs 2009. Deze drie dissertaties werden daarna door alle juryleden gelezen en op 23 oktober besproken en beoordeeld. We zullen u nog even in spanning houden over wie van de drie straks met de prijs naar huis gaat om nu eerst de drie proefschriften kort te bespreken, in alfabetische volgorde, op naam van de auteur. Het boek van Gerlof Bouma gaat over het klassieke probleem van vooropplaatsing in het Nederlands: welke zinsdelen en elementen kunnen in de hoofdzin vóór de persoonsvorm staan, en waarom? De dissertatie combineert innovatief corpuswerk (zo’n 60.000 zinnen uit het Corpus Gesproken Nederlands worden benaderd via eigen programmatuur), vaardig gehanteerde bidirectionele optimaliteitstheorie en geavanceerde statistiek (logistische regressie) om een bijzonder gedetailleerd beeld te verkrijgen van vooropplaatsing in gesproken Nederlands. De auteur laat overtuigend zien dat een puur grammaticale benadering van vooropplaatsing (in termen van factoren als grammaticale functie en bepaaldheid) wel te kort móet schieten, en dat pragmatische factoren (vanuit het perspectief van zowel de spreker als de hoorder) ook een belangrijke rol spelen. Een van de meest verrassende uitkomsten van het proefschrift is dat pronominale objecten vrijwel niet voorkomen in zinsinitiële positie (minder dan 1%), in groot contrast met demonstratieve objecten (64%). Dus een zin als “Hem ken ik niet” komt eigenlijk nooit voor in het corpus, maar een zin als “Dat weet ik niet” juist heel vaak. Dat het subject in die laatste zin een voornaamwoord is, dat is geen toeval. Wanneer een zin begint met een aanwijzend voornaamwoord als object, dan is het subject van die zin vrijwel altijd een voornaamwoord. Bouma verklaart dit fenomeen in termen van een conflict tussen twee tendensen, de tendens om een zin te beginnen met al gegeven of bekende informatie en de tendens om de zin te beginnen met belangrijke informatie. Het is duidelijk dat de tweede factor het in het Nederlands wint van de eerste. In het Nederlands worden lidwoorden vaker weggelaten dan in het Italiaans, laat Joke de Lange zien in haar buitengewoon originele proefschrift, dat leest als een spannende detective. Het Italiaanse lidwoordensysteem is uitgebreider en gecompliceerder dan het Nederlandse, dus je zou verwachten dat de lidwoorden in het Italiaans eerder weggelaten worden dan in het Nederlands. Maar het blijkt precies andersom te zijn, en nog wel in verschillende contexten: zowel in Nederlandse kindertaal als in Nederlandse krantenkoppen worden de lidwoorden vaker weggelaten dan in hun Italiaanse tegenhangers. De Lange presenteert dit mysterie op boeiende wijze en laat de lezer een aantal hoofdstukken lang in spanning voor ze met de oplossing komt. Net als het thema van dit proefschrift is ook de oplossing origineel. De Lange betoogt dat selectie van een lidwoord in productie het resultaat is van een competitie tussen de verschillende kandidaat-lidwoorden in een taal. Hoe meer de strijdende lidwoorden aan elkaar gewaagd zijn, hoe sterker de competitie is, en hoe groter de onzekerheid over de uitkomst van de strijd, het selectieproces. In het Nederlands zijn er weliswaar minder lidwoorden, maar de strijd tussen de beschikbare lidwoorden in het selectieproces is heftiger. Dat verklaart waarom de selectie van een lidwoord in het Nederlands meer moeite en inspanning kost dan de selectie van een lidwoord in het Italiaans. En dat, zo stelt De Lange, verklaart dan weer waarom de Nederlandse kindertjes en krantenkoppenschrijvers die lidwoorden eerder zullen weglaten dan de Italiaanse. Na deze twee proefschriften waarin competitie een grote rol speelt, zijn we toegekomen aan de bespreking van het derde proefschrift in onze eigen competitie, dat van Margot Rozendaal. Zij bestudeert de interactie tussen de morfosyntaxis en de pragmatiek in de verwerving van referentie naar personen en objecten in de derde persoon door Nederlandse, Franse en Engelse kleine kinderen. Het meest opvallende kenmerk van het boek is de rigoureuze methodiek waarmee de complexiteit van het onderwerp wordt opgedeeld in deelcomponenten, die ieder afzonderlijk bij het verwervingsproces een sturende rol spelen. Allereerst wordt, voor elk van de drie genoemde talen, de interactie geanalyseerd tussen de morfosyntaxis en de pragmatiek in de taal van volwassenen, met nadruk op de verschillen en de daaruit volgende mogelijke consequenties voor het verschil in de verwerving van referentiële elementen in het Nederlands, het Frans en het Engels. Ook wordt ingegaan op de cognitieve status van de morfosyntactische vormen waarover de talen beschikken voor referentie en de koppeling tussen de beschikbare referentiële morfemen en de pragmatische factoren die de cognitieve status van de referenten bepalen. Vervolgens wordt het huidige onderzoek afgezet tegen vergelijkbaar onderzoek in het verleden en worden de duidelijke en onduidelijke aspecten van referentieverwerving geïnventariseerd, met als resultaat een motivering van de onderzochte leeftijdscategorie en een scherpe definitie van de relevante onderzoeksvragen, die vervolgens een voor een aan de orde komen: in hoeverre houden kinderen tussen 2 jaar en 3 jaar en 3 maanden rekening met de pragmatische factoren specificiteit, nieuw/gegeven en bekendheid bij de luisteraar en, daarmee samenhangend, gaat de verwerving van de morfosyntactische vorm hand in hand met de verwerving van de (juiste) pragmatische toepassing van die vorm?; in hoeverre komen de eerder geobserveerde taalspecifieke patronen terug in de vroege kindertaal?; wordt het verwervingspatroon beïnvloed door de frequentie en de consistentie van de vorm-functiecombinatie in het taalaanbod? Op elk relevant moment wordt aan de lezer duidelijk gemaakt hoe de gevonden resultaten per bestudeerde taal verschillen en waarom we dat wel of niet hadden kunnen verwachten, en of de gevonden resultaten overeenkomen met de conclusies van eerder onderzoek of juist niet, en waarom. De jury was onder de indruk van alledrie de proefschriften, maar er kan maar één prijswinnaar zijn. Vanwege de hoge kwaliteit, het voorbeeldig interdisciplinaire karakter en de convergerende evidentie gaat de AVT-Anéladissertatieprijs 2009 naar Margot Rozendaal. Gefeliciteerd! |